Legendes en spotnamen

Het verzonken kasteel of de verzonken stad:

Het versterkte kasteel op de Castelberg wordt volgens de legende in de middeleeuwen bewoond door een rijke maar hardvochtige heer. Armen en bedelaars wordt steeds brutaal de toegang geweigerd. Op Driekoningenavond laat de wachter toch drie pelgrims toe. De woedende kasteelheer weigert hen om aan tafel te laten plaats nemen en roept uit dat hij nog liever zijn kasteel in het moeras ziet verdwijnen. De pelgrims die de H. Driekoningen zijn laten dit dan ook gebeuren. Het kasteel verdwijnt in het moeras en de Castelberg is, buiten de kapel, verlaten. Alleen wanneer het O. L. Vrouwbeeldje terug naar de kapel komt, zullen de zielen van de kasteelbewoners terug rust kennen.

Een variante van deze legende is deze waarbij de engel Gabriël, verkleed als bedelaar, op kerstnacht weggestuurd wordt zonder aalmoes door de inwoners van de stad. Het trotse Zoutleeuw wordt daarop verzwolgen door een stormvloed. Op kerstnacht zouden de verdronken klokken in het ven nog luiden.

De legende van de Kapel van de Ossenweg sluit aan bij deze van het verzonken kasteel. Het miraculeuze Mariabeeldje van de kapel zou afkomstig zijn van de Castelbergkapel. Het beeldje werd in de 16de eeuw tijdens het ploegen in een nabijgelegen veld gevonden. Het werd naar de kerk van Zoutleeuw gebracht maar de volgende dag stond het beeldje terug waar het gevonden werd. Toen men een processie hield om het beeld te halen, wilden de paarden de kar met het beeld niet trekken. In de processie liepen ook een vader en een moeder met hun stomme zoontje. Plots kon het zoontje praten: “Vader, haal gauw onze ossen; die zullen O.L. Vrouw wel trekken!” Toen ze het beeld op de ossenwagen hadden gezet, kon het wel verplaatst worden. Het gehucht zou daarom de Ossenweg genoemd zijn. Maar de oorsprong van de naam kan ook teruggevoerd worden naar de gemeenschappelijke ossenstal die er in de 14de eeuw stond en de weg die de dieren naar die stal voerde. Het miraculeuze beeld werd opgehangen aan een eik. Al vlug werd het een centrum van een steeds groeiende verering. In 1536-1538 werd een kapelletje gebouwd. Door de geweldige volkstoeloop werd het in de loop der eeuwen steeds uitgebreid en aangepast. Dit bedevaartsoord ter ere van Maria is dagelijks toegankelijk.

De plaats, waar de Vincent Betsstraat uitmondt in het stadspark en waar zich nu de Leeuwse bibliotheek bevindt, heette vroeger “Cattepoel”, omdat volgens het volksgeloof de heksen hier in de gedaanten van katten hun heksensabbat vierden. Niet ver van de Kattepoel in het huidige stadspark staat het Heksenkot.
Verschillende spotnamen gelden voor de deelgemeenten van Zoutleeuw:

“Trapliggers” voor de inwoners van Zoutleeuw centrum, vermits deze in het zomerseizoen steeds buiten op de trap zaten.

“Koper Klinken” voor de inwoners van Halle-Booienhoven, omdat al het koperwerk aan deuren en poorten gepoetst werd zodat de buitenstaander steeds een

goede indruk zou krijgen.

“de heren van Budingen” voor de inwoners van Budingen, omdat de inwoners voornaam willen overkomen.

“ de uilen van Bos” voor de inwoners van Helen-Bos, naar analogie van het begrip “bos” noemt men de inwoners uilen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *