Eén kleine geschiedenis van Zoutleeuw

Voor de 16de eeuw heette Zoutleeuw nooit anders dan ‘Leeuw’, een benaming die wellicht terugging op het oudgermaanse ‘hlaiwa’, wat grafheuvel betekent. De betekenis van de term ‘Zout’ die later werd toegevoegd is onzeker: misschien bestaat er een verband met de taks op zout die Zoutleeuw mocht heffen en dat druk verhandeld werd in de stad; een andere verklaring zou kunnen zijn dat het een afleiding is van ‘solde’, soldij, een verwijzing naar de Soldeniers van het aanzienlijke garnizoen dat in de 16de eeuw in Leeuw gelegerd was. De oudste betrouwbare meldingen over Leeuw gaan terug tot het einde van de 10de eeuw: de eerste parochiekerk was de Sint-Sulpitiuskapel, gelegen ten zuiden van het huidige stadscentrum.

De economische groei van Leeuw is te danken aan verschillende factoren: dankzij de voltooiing van de weg Brugge – Keulen beschikte Leeuw over een gunstige handelspositie, terwijl omringende moerassen beschermden tegen invallen. Bovendien werd in 1130 een eerste verdedigingsmuur opgericht en breidde de stad zich uit in noordelijke richting. In 1236 werd de parochiekerk overgebracht naar de Sint-Leonarduskapel in het huidige centrum. Vele kooplui en ambachtslui vestigden zich binnen de beschermende muren van de nederzetting aan de bevaarbaar gemaakte Kleine Gete, zodat een rechtstreekse verbinding met Antwerpen tot stand kwam en waardoor het belang als handelscentrum begon toe te nemen.

In de 13de eeuw ontving de stad belangrijke vrijheden van de hertogen van Brabant, in ruil waarvoor zij het hertogdom moesten helpen verdedigen tegen de prinsbisschoppen van Luik. De lakennijverheid had intussen een hoge vlucht genomen: Leeuws laken werd verhandeld in het hele Maas- en Rijnland, Frankrijk en zelfs Engeland. Mede door deze welvaart werd Leeuw in 1312 één van de hoofdsteden van Brabant. Om aan de voortdurende dreiging van Luik te weerstaan werd omstreeks 1330 een tweede ringmuur opgericht.

Bijna twee eeuwen duurde deze bloeiperiode waarin Zoutleeuw ook op politiek vlak een aanzienlijke rol speelde, maar in de 15de eeuw kende de Leeuwse lakennijverheid een neergang, mede tengevolge van de concurrentie van het Engelse laken. Ook het bevaarbaar maken van de Grote Gete tot Tienen, dat daardoor het belangrijkste handelscentrum werd in Oost-Brabant, betekende een zware slag voor de handelsbedrijvigheid. Toch slaagde de stad erin de schijn van grootheid op te houden en bouwde in 1538 zelfs nog een prestigieus stadhuis, dat thans nog de markt siert.

Tijdens de godsdienstoorlogen leefde de stad voortdurend onder de vrees van brandschatting en plundering, zowel vanwege de Spanjaarden, als vergelding voor de steun die de stad in 1568 bood aan de troepen van de Nederlanders, als van het Statenleger. In 1566 bleven de stadspoorten wel gesloten voor de beeldenstormers, waaraan het te danken is dat de Sint-Leonarduskerk nog zoveel gotische beelden bezit. De verdere geschiedenis is een droeve opsomming van rampen, bezettingen en verwoestingen: overstromingen verwoesten hele gehuchten en zelfs een stuk van de stadswallen, de pest eiste talloze slachtoffers, de Spaanse bezetter terroriseerde de inwoners en vormde een bron voor moreel verval. Ook gedurende de volgende eeuw teisterden krijgsgeweld en epidemieën Zoutleeuw. Ter bescherming van de Spaanse citadel werd een groot gebied onder water gezet: de overstroming van weilanden en pachthoven veroorzaakte armoede en ziekte. Ook van verschillende branden die talrijke huizen in as legden bleef de stad niet gespaard. In 1678 en 1701 werd Zoutleeuw bezet door Fransen, in 1705 na een hevige beschieting door de geallieerden heroverd.

Het Oostenrijks bewind bracht eindelijk een adempauze voor de stad. De talrijke kloosters die er een onderkomen hadden werden echter wel zwaar getroffen door de hervormingen van Jozef II, die de kerk losmaakte van Rome en haar onderwierp aan de staat. Ook de Franse revolutie betekende een zware klap: kloosterlingen en priesters werden vervolgd, kerken gesloten en alle openbare godsdienstoefeningen werden verboden. De inlijving van onze gewesten bij Frankrijk had ook tot gevolg dat het prinsbisdom Luik werd opgeheven en zijn dreiging verloor. Daarmee verdween definitief de strategische betekenis van Zoutleeuw.In 1814 werd het Koninkrijk der Nederlanden opgericht. Koning Willem won de genegenheid van de bevolking door zijn streven naar herstel van handel en nijverheid, maar aan hun verzoek om de Kleine Gete opnieuw bevaarbaar te maken werd geen gevolg gegeven. In 1830 viel de uitroeping van de Belgische Onafhankelijkheid voor Zoutleeuw ironisch genoeg samen met het verlies van zijn stadstitel. Dit verlies werd in 1985 weer ongedaan gemaakt: met zijn kleine oppervlakte (963 ha) en zijn landelijke ligging in het Hageland lijkt Zoutleeuw wel op een dorp, maar zijn bouwkundig erfgoed getuigt van een groots verleden…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *